NVBS-erelid Sam de Lange: ‘Ik leef in en voor het verleden’

door Oege Kleijne

‘Ik leef in en voor het verleden. Dat verleden houdt nooit op. Je blijft altijd vraagstukken ontdekken en ik vind het boeiend om uit te zoeken hoe het toen is gegaan. Voorbeeld? De Tramwegmaatschappij De Graafschap die een tramlijn exploiteerde van Zutphen naar het Gelderse Hengelo, kocht op een gegeven moment derdehands motorrijtuigen, die maar een richting op konden rijden. Bekend is dat er in Hengelo een draaischijf was, maar hoe deze motorrijtuigen in Zutphen werden gekeerd, is tot op de dag van vandaag onduidelijk. Dus probeer ik dat raadsel op te lossen en ga binnenkort naar het gemeentearchief van Zutphen om daar onderzoek te doen.’

Aan het woord is NVBS-erelid Sam de Lange (80), actief als assistent-beheerder documentatie tramwegen Nederland, Nederlands-Indië en Suriname bij NVBS Railverzamelingen. Hij heeft een stapje teruggedaan en kan zich nu helemaal concentreren op wat hem boeit: het aanvullen van de uitgebreide tramdocumentatie van de NVBS en het beschrijven hiervan, zodat die door geïnteresseerden geraadpleegd kunnen worden. En nog een voordeel: hij krijgt tijd voor zijn privéverzameling.

Sam de Lange als kind van drie spelend met een speelgoedtrein.

Stilletjes

De meeste, wat actievere NVBS-leden kennen Sam de Lange van “zijn hoek” in het Amersfoortse NVBS-archief. Daar zit hij stilletjes, niet zelden met een enorme hoeveelheid documentatie voor zijn neus. In de loop van de maandag, want dat is zijn vaste archiefdag, zal de oplettende toeschouwer zien dat de stapel allengs kleiner wordt. Hij is dan aan het sorteren. Want de NVBS-Railverzamelingen – een aparte stichting – krijgt veel schenkingen binnen. Dat zijn niet zelden enorme verzamelingen documentatie, foto’s en films van meestal overleden railliefhebbers die hun kostbare bezit graag aan de NVBS overlaten om dit ook voor latere generaties trein- en tramliefhebbers toegankelijk te maken. Het is aan Sam de Lange en de overige beheerders te bepalen in hoeverre de aangeboden stukken al aanwezig zijn en of die van waarde zijn voor toekomstige onderzoekers en een mooie aanvulling vormen over de geschiedenis van trein en tram. De minder waardevolle of dubbele stukken en foto’s worden verkocht in de NVBS-winkel.
Sam de Langes kennis van met name de tramgeschiedenis en het tramarchief bij de NVBS staat als “enorm” te boek. Dat kan niet los worden gezien van de tientallen jaren dat hij zich voor de railfanclub inzet bij het documenteren van de geschiedenis van de Nederlandse tramwegen en die van Nederlands-Indië, het huidige Indonesië.

Voordelen

Zijn assistentschap biedt hem verschillende voordelen. Allereerst kost het hem minder tijd dan toen hij nog beheerder was en komt hij nu toe aan het sorteren van zijn eigen privéverzameling die omvangrijk is. Of hij die aan de NVBS gaat schenken, weet hij nog niet. Zijn zoon Hans de Lange is ook tramliefhebber, werkt bij de Rotterdamse vervoerder RET, is als machinist bij de Stoomtram Hoorn – Medemblik actief, en mogelijk heeft hij belangstelling voor de collectie of delen daarvan. Hij heeft de eerste rechten. ‘Ik ben inmiddels al tachtig, dus moet je wel wat gaan regelen.’ Een ander voordeel van zijn assistentschap is het gegeven dat hij niet meer hoeft te vergaderen – ‘ik ben niet zo’n vergaderdier, laat mij me maar concentreren op de verzamelingen’– en hij hoeft zich niet meer met organisatorische vraagstukken bezig te houden.

Sam de Lange toont tijdens het vraaggesprek een van de stukken, waaraan hij het meest gehecht is: een gipsafgietsel van een speculaasplank, een herinnering aan de paardentram van de Haarlemsche Tramway Maatschappij. Foto: Oege Kleijne.

Veertig kubieke meter tekeningen

‘Welke vraagstukken dat zijn? Nou, wat denk je van de vraag of je de veertig kubieke meter tekeningen van de Amsterdamse tram – meest materieeltekeningen – moet aanvaarden? Want waar laat je die? In Amersfoort (in het archief) is de ruimte niet onbeperkt’, legt hij desgevraagd uit. De tekeningen, zo licht hij toe, zijn afkomstig van het vroegere Amsterdamse Openbaar Vervoer Museum (AOM) dat failliet is gegaan. De tekeningencollectie kon door verschillende initiatiefnemers worden gered, maar is nu elders ondergebracht en dat kost jaarlijks 20.000 euro opslagkosten, een formidabele onkostenpost.

Geïnfecteerd

Sam de Langes hobby – of beter: passie – is al op zeer jonge leeftijd ontstaan. Die begon in Amsterdam rond 1938 toen hij op de Zuider Amstellaan, vlakbij het Westerscheldeplein, woonde. Daar zag hij de trams van lijn 8 langskomen die bij het eindpunt aan het einde van de ochtendspits hun aanhangwagens achterlieten. Er ontstond een lange rij bijwagens op een kopspoor die uiteindelijk werd weggesleept naar de remise. Net voor de middagspits kwam de lange sleep weer terug op het Westerscheldeplein en gaandeweg kregen al die motorwagens die daar eindigden (en dus ook weer begonnen) hun bijwagen om daarmee het grotere reizigersaanbod tijdens de spits te kunnen vervoeren.
Met grootouders in Wassenaar en tantes en ooms in onder meer Voorschoten kwam hij in aanraking met zowel de  Blauwe Trams als de gele van Den Haag. Als passagier, meegenomen door zijn ouders, maar ook stilzittend op de vensterbank. De langsrijdende trams… hij kon zijn ogen er niet van afhouden.

Op z’n zesde alleen op reis

Al op zijn zesde jaar (!) mocht hij de reis vanuit Amsterdam naar opa en oma of oom en tante alleen aanvaarden. Dat gebeurde net als met zijn ouders per tram en wel op een dagkaart. Dat was stukken goedkoper dan de trein. Natuurlijk duurde de reis per tram veel langer dan die per trein, maar dat vormde voor Sam geen enkel probleem. ‘De eerste keer dat ik alleen mocht reizen, hebben ze wel iemand achter me aan gestuurd om te kijken of dat allemaal wel goed ging. Maar toen bleek dat ik het kon, mocht ik voortaan echt alleen op reis. Je reed dus vanuit Amsterdam met de Blauwe Tram naar Haarlem, vandaar door de Bollenstreek naar Leiden en dan verder met de gele naar Wassenaar. Soms reed ik vanuit Leiden met de NZH over die andere route naar Voorschoten.’
Sam genoot van die reizen en keek tijdens zijn logeerpartij naar de voorbijrijdende trams.

Al op z’n zesde reisde Sam per tram vanuit Amsterdam naar zijn opa en oma in Wassenaar. Daarvoor moest hij ook overstappen. Bijvoorbeeld in Leiden op de gele tram naar Den Haag die over Wassenaar reed en op de foto te zien is bij het NS-station van Leiden met motorrijtuig HTM 70 en een aanhangrijtuig uit de serie 101-120 van lijn 12 naar Den Haag. Opname: 30 maart 1941; foto: B. Boomsma, collectie NVBS-Railverzamelingen.

Aansterken in de oorlog

Die reizen waren eigenlijk ingegeven door nood. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het eten op de bon en was er in Amsterdam daarvan minder beschikbaar dan in de regio Wassenaar/Voorschoten. De familie maakte zich zorgen over de voeding van de jonge Sam. In Wassenaar en Voorschoten kon hij aansterken.
Net voor de Tweede Wereldoorlog, in 1939, namen zijn ouders Sam mee op vakantie naar Zwitserland. Zijn liefhebberij voor het railvervoer viel bij zijn ouders in goede aarde en op zijn vierde verjaardag tijdens die vakantie mocht hij later opblijven dan gewoonlijk: hij mocht de laatste trein zien langsrijden en dan was het uit met de pret en moest hij naar bed.
Tijdens een van zijn laatste tramreizen naar zijn familie in de oorlog kwam hij in aanraking met een wat oudere vrouwelijke medereiziger die hem vertelde dat het na de oorlog wel eens niet meer mogelijk zou kunnen zijn per tram de gehele reis te maken. ‘Dat vond ik toen een heel gek gegeven. Ik kon het me gewoon niet voorstellen dat de tram er niet meer zou zijn.’ De vrouw bleek een vooruitziende blik te hebben, hoewel het nog even zou duren voordat de interlokale trams definitief uit het straatbeeld zouden verdwijnen.

Tijdens de vakanties van zijn ouders ging het steevast naar Warnsveld, waar Sam de fiets pakte en de tramlijnen van de Gelderse Tramwegen afreed. Hier staat hij, gewapend met de camera van zijn moeder, op 5 april 1953 in Doetinchem voor een goederenwagen afkomstig van de Zutphen – Emmerik.

Land vol tramlijnen

Direct na de bevrijding ging de reis inderdaad niet per tram maar per trein naar de familie in de Haagse regio. Het spoor dat enorm te lijden had gehad van de Spoorwegstaking en het weghalen en vernielen van rails en bovenleiding door de Duitsers, kampte met enorme problemen. ‘Ik moest weer terugdenken aan die vrouw. Dat was wel een bijzondere reis, want de spoorbrug bij Warmond was kapot en we moesten uitstappen en te voet naar Leiden zien te komen.’
Door zijn tramreizen in wat we tegenwoordig de Randstad noemen, had Sam het idee dat heel Nederland vol lag met tramlijnen. Hij ontdekte tijdens de vakanties met zijn ouders in Warnsveld (bij Zutphen) dat dit niet zo was. Veel tramlijnen bleken zelfs al opgeheven. Tijdens het verblijf in Warnsveld pakte Sam zijn fiets en ging kijken in Zutphen. Daar reden nog stoomtrams en heerste een druk goederenvervoer. Gewapend met een notitieblok en de compactcamera van zijn moeder ging hij aan het werk. Hij schreef de gegevens van de goederenwagons over (‘stom natuurlijk, want de materieelboeken bij de werkplaats in Doetinchem hadden nog veel meer gegevens en later zou ik die kunnen raadplegen. Ik had beter de nummers en de locaties kunnen opschrijven’) en niet lang daarna fietste hij langs de lijnen van de Gelderse Tramwegen en genoot van de verschillende stoomtrams, die daar door het fraaie landschap reden. Ook was hij regelmatig te gast bij de werkplaats van de Gelderse Tram in Doetinchem of fietste naar Doesburg om het rangeren daar bij de tramhaven gade te slaan.

Sam de Lange fietste tijdens zijn vakanties in Warnsveld regelmatig naar Doesburg waar hij onder meer de tramhaven bezocht en het rangeren van de goederentrams gadesloeg, want in dit stadje was altijd wel wat te zien. Locomotief GTM 1 “TEKKEL” (gebouwd bij Orenstein & Koppel in 1913), rangerend met een lange rij goederenwagens bij Verblifa in Doesburg op 30 april 1952. Foto: J.A. Bonthuis, collectie NVBS-Railverzamelingen.

De Spoorwegen spreken

In die naoorlogse jaren zat het gezin De Lange ‘s zondagmiddags steevast voor de radio. Zij luisterden naar het programma “De Spoorwegen spreken” op de radiozender Herrijzend Nederland, waarin dr. P.Th. Posthumus Meyjes, chef van de Reizigerstreindienst van NS, de vorderingen bij de wederopbouw bij de Nederlandsche Spoorwegen besprak. ‘Naarmate de NS erin slaagde de dienstregeling weer uit te voeren zoals voor de oorlog en er steeds minder te melden was over verbeteringen, wijdde Posthumus Meyjes uit over zaken die zich rond het spoor afspeelden. Tijdens een van die uitzendingen vertelde hij dat er een vereniging bestond voor trein- en trambelangstellenden, de NVBS. Je kon je, als je geïnteresseerd was, aanmelden via de Kasassociatie in de Spuistraat, hier in Amsterdam, en zo kwam ik in aanraking met de NVBS’, weet Sam zich nog goed te herinneren. Hij werd in 1948 lid van de vereniging die regelmatig in een gebouw bij het Amsterdamse Centraal Station bijeenkwam. ‘Eerder lid worden kon niet, want dat mocht pas als je dertien jaar was en op die leeftijd werd je juniorlid’, licht hij toe.
De maandelijkse bijeenkomsten boeiden Sam. Hier werden lezingen gegeven en heel af en toe kwamen er ook deskundigen langs die plaatjes vertoonden, op een toverlantaarn, een soort voorloper van de tegenwoordige overheadprojector.

Taalfouten en onjuistheden

In de jaren zeventig trad Sam toe tot de redactie van Op de Rails. Daar hield hij zich onledig met het redigeren van artikelen van anderen. ‘We haalden taalfouten uit de teksten, maar keken ook naar de feiten en controleerden die zoveel mogelijk op onjuistheden. Daarnaast plakten we het zetsel dat in stroken werd aangeleverd tot een volledige lay-out. Ik heb in die tijd veel geleerd van mijn leermeesters Jan Broers en Jan-Willem Sluiter. Na verloop van tijd maakten we met zijn drieën het hele blad, zowel de opmaak als de redactie’, vertelt Sam.
Wat Sam en zijn collega-redacteuren kennelijk geheel was ontgaan, was de onvrede over die redactie bij delen van de achterban van de NVBS. In 1985 volgde een coup en de bestaande redactie werd vervangen door nieuwe redacteuren, die andere opvattingen hadden over hoe een blad voor railliefhebbers gemaakt moest worden. Sam baalde en kijkt er nog steeds met gemengde gevoelens op terug. Eigenlijk wil hij er niet meer over praten en na enig nadenken: ‘Weet je, je kunt over veel zaken van mening verschillen, maar ik vond het heel flauw dat in het laatste nummer van de oude redactie het afscheidswoord van Jan Broers, die zo lang aan het blad verbonden was geweest, nog even snel werd weggehaald, net voor het moment dat het blad gedrukt zou worden…’
De ervaring als redacteur konden ze bij het blad Op Oude Rails, een uitgave van de Tramweg- Stichting, goed gebruiken. Dit blad hield zich onder meer bezig met de vorderingen die deze stichting maakte in het voor het nageslacht behouden en restaureren van oud trammaterieel. Sam was er ruim vijftien jaar actief als redacteur.

Door zijn tijdelijke baan in Australië kwam Sam de Lange in het niet-geplande bezit van een drietal banken van de toen al opgeheven tram van Perth. De trambank op het balkon van Sams huis in Amsterdam. Foto: Oege Kleijne.

Materieelboeken

Rond 1980 vroeg Ton Dijkers hem te helpen bij het onderzoek naar het materieel, rijtuigen en goederenwagens, van de Nederlandse tramwegen. Het doel daarvan: al het materieel dat ooit gereden had te documenteren in een of meer boeken. Dit bleek een enorme klus, waarvoor veel archiefonderzoek nodig was. Hun inspanning leverde in 1987 een eerste standaardwerk op: De stoomtramrijtuigen van de Nederlandse tramwegen. Dat het boek waardevol was, werd ook door de NVBS gezien en het verscheen in de NVBS-boekenreeks, een predicaat voor uitgaven die een waardevol stuk geschiedenis van trein en tram vastleggen. Het tweede boek over de goederenwagens van de Nederlandse tramwegen zag in 1996 het levenslicht. Het derde standaardwerk, over de paardentram-, stoom- en motorrijtuigen, verscheen in 2004. Daarmee hadden Ton en Sam een ongekende prestatie geleverd. En uiteraard doorstonden de beide laatste uitgaven ook de kritische toets van de boekencommissie van de NVBS en kwamen in de genoemde boekenreeks terecht. Sam: ‘Het was een heel boeiend onderzoek dat veel tijd kostte. Uiteindelijk heb ik zelfs besloten halve dagen te gaan werken om veel meer gegevens en informatie te kunnen verzamelen’, vertelt hij nog steeds enthousiast.

Tijdens zijn werkzame leven kwam Sam ook in het Indiase Delhi terecht. Uiteraard maakte hij in zijn vrije tijd van de gelegenheid gebruik de wereldberoemde Darjeeling-spoorweg te bereizen. Hier poseert hij in een van de rijtuigen in 1983.

Grootste passie

Het documenteren van de Nederlandse tramgeschiedenis bleef Sams grote passie. Hij was al snel betrokken bij wat aanvankelijk het NVBS-archief werd genoemd. Was dat eerst nog verspreid over beheerders die thuis deze verzamelingen koesterden, gaandeweg kwamen meer collecties op een centraal punt te liggen. Onder meer in Voorschoten en bij de NVBS-Bibliotheek in Utrecht. Uiteindelijk volgde de verhuizing van de bibliotheek en de verzamelingen naar het centraal gelegen Amersfoort, waar ze zich nog steeds bevinden. Sam hielp met de verhuizing en kreeg een centrale rol als beheerder documentatie tramwegen Nederland, een vrijetijdsbesteding die hem op het lijf was geschreven.
Als het even kan reist hij tegenwoordig vanuit zijn woonplaats Amsterdam per trein naar Amersfoort om zich vol overgave te werpen op het beschrijven en het aanvullen van het archief over de “overige tramwegen”, hetgeen veel minder werk is dan de archieven over de trams in de grote Nederlandse steden. Meestal op maandag zit hij daar in “zijn” hoekje heel stilletjes, vriendelijk knikkend naar mensen die hem groeten. Voor de argeloze toeschouwer lijkt hij introvert, wat teruggetrokken, maar tijdens het vraaggesprek blijkt dat beeld niet te kloppen. Hij ontpopt zich als iemand die zijn woorden met zorg kiest en soms even tijd neemt de zinnen te formuleren. Zinnen die zijn levensgeschiedenis vertellen die niet los te zien is van die van de NVBS. Al was het soms wel tegen wil en dank.

Print Friendly, PDF & Email

Personalia

Sam de Lange

NVBS-erelid Sam de Lange (jaargang 1935) studeerde aan de Technische Hogeschool Delft (tegenwoordig: Technische Universiteit Delft) af als wiskundig ingenieur en kreeg al vrijwel onmiddellijk een betrekking aan diezelfde Hogeschool als wetenschappelijke medewerker. In die functie gaf hij vooral les aan studenten en hield zich onder meer bezig met berekening rond wachttijden (“wachtrijberekeningen”) bij stoplichtinstallaties en statistiek. Zijn diensttijd – toen nog de verplichte militaire dienst – bracht hij door bij de Koninklijke Marine als Luitenant der Zee, derde klasse, Speciale Diensten. Na één middag gevaren te hebben, kreeg hij een kantoorbaan en hield zich bezig met het personeelsbeleid van grote organisaties. Dat gaf hem weinig vreugde. Hij heeft de zee in zijn diensttijd alleen van afstand gezien.
Na deze periode gaf hij zich vol overgave aan zijn functie als medewerker en leermeester van technische studenten.
In de jaren zeventig trad hij toe tot de redactie van het NVBS-maandblad Op de Rails. Met een enkele onderbreking deed hij dat tot 1985.
Dankzij zijn netwerk kwam hij in 1968 terecht in het Australische Perth, waar hij twee jaar werkte. Omdat er een fout was gemaakt met het huisraad moest het gezin De Lange enkele maanden de tijdelijke woning vullen met geïmproviseerde meubeltjes, waaronder bankjes van de opgeheven tram in Perth (zie de foto).
Nadat hij weer in Nederland was teruggekeerd, pakte hij zijn oude functie weer op.
Zijn contacten brachten hem in 1983 zelfs naar het Indiase Delhi, waar hij ging werken voor de Verenigde Naties en zich bezighield met de uitbreiding van het telefoonnetwerk in India.
In zijn vrije tijd maakte hij de nodige treinritten en bezocht hij ook de bekende Darjeelingspoorlijn, een spectaculaire, smalsporige berglijn waarop nog steeds stoomlocomotieven rijden.
Na een jaar keerde hij opnieuw terug naar Nederland en werkte hij tot zijn vrijwillige uittreding in 1993 als wetenschappelijk medewerker en docent aan de Technische Universiteit.
In 2010 werd Sam de Lange benoemd tot erelid van de NVBS vanwege zijn vele werk voor de vereniging, vooral het redactie- en archiefwerk.

Het verdwijnen van de interlokale tram

In de loop van de jaren dertig tot en met zestig van de vorige eeuw verdwenen de meeste interlokale tramlijnen. De bus en de auto hadden de toekomst, dacht men toen. Het railvervoer behoorde, op enkele drukke spoorlijnen na, tot het verleden. De minst drukke lokaalspoorlijnen en de interlokale tramlijnen werden de eerste slachtoffers van die denkwijze. Een niet onbelangrijke reden van de opheffing was geldgebrek. Daarnaast was de exploitatie met bussen veel goedkoper, omdat die geen eigen baan nodig hadden en de busbedrijven relatief goedkoop van de openbare wegen gebruik konden maken.
‘Dat de opheffing van veel interlokale tramlijnen voor de hand lag, zag ik natuurlijk ook wel. Maar het verdwijnen van de tram tussen Leiden en Den Haag, en naar Katwijk en Noordwijk, zie ik als vervoerkundige blunders. En dat geldt zeker ook voor de tram van Amsterdam naar Zandvoort, want ook in deze tijd hadden deze trams enorm kunnen bijdragen aan de mobiliteit. Natuurlijk zouden nieuwe technieken ingevoerd moeten worden en zo hier en daar een lijnverlegging plaats moeten vinden. Kijk alleen maar eens aan de loop van de tram in Haarlem, waarbij de lijn gekke bogen maakte. Maar vanuit vervoerkundig oogpunt was het sluiten van die lijnen een enorme historische fout’, stelt Sam de Lange.
Hebben we het over de terugkeer van de interlokale tram in het buitenland, vooral Frankrijk en Engeland, reageert Sam eerst met enig stilzwijgen. ‘Het heden boeit me minder dan het verleden, maar natuurlijk zie ik die ontwikkelingen ook. Dat zijn, voor mezelf sprekend, bepaald geen onwelgevallige ontwikkelingen.’

Veel interlokale tramlijnen hadden ook vandaag de dag nog een belangrijke functie kunnen vervullen in het oplossen van verkeersproblemen, vindt Sam de Lange. Bijvoorbeeld de tramlijn van Amsterdam naar Zandvoort. Hier zien we die tram in zijn nadagen, op 24 augustus 1957, op het vroegere tramstation van Zandvoort. Op de foto een zogeheten Boedapester tramstel van de NZH met de nummers B464 + A458 + B465. Het emplacement was toen al grotendeels opgebroken om ruimte te bieden aan de autobussen. Foto: A.E.E. van Donselaar.