De Chemin de fer touristique du Vermandois (CFTV) en de overblijfselen van de spoorlijn Saint-Quentin – Guise
Spoorzoeken in Noord-Frankrijk (1)
Frits van Buren bezocht de voormalige spoorlijn Saint-Quentin – Guise. Hij laat onder andere de geschiedenis van de nog aanwezige stations zien. Een deel van de lijn is nu in gebruik bij de Chemin de fer touristique du Vermandois (CFTV).
Het aan de hoofdspoorlijn Parijs – Charleroi gelegen Saint-Quentin is een plaats met ongeveer 50.000 inwoners. Saint-Quentin ligt in het departement Aisne met hoofdstad Laon. Het stichtingsjaar van Saint-Quentin was rond het begin van de jaartelling. Gedurende de Eerste Wereldoorlog werd de stad bijna volledig verwoest en is daarna opnieuw opgebouwd.

De ligging van Saint-Quentin in Noord-Frankrijk. Zwarte lijnen: spoorwegen, rode lijnen: autowegen. Bewerking van OpenStreetMap.org.
Saint-Quentin
Saint-Quentin is een fraaie stad met als hoogtepunten de tussen de 12e en 15e eeuw gebouwde gotische Basilique de Saint-Quentin en het laat-15e-eeuwse stadhuis (Hôtel de Ville). Beide gebouwen werden gedurende de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd. Een wandelroute van 4,5 km voert langs onder andere deze gebouwen.

Het stadhuis van Saint-Quentin op 23 juli 2026.

De Basiliek van Saint-Quentin.

Het interieur van de Basiliek van Saint-Quentin.
Een grote nabijgelegen gratis parkeerplaats is de Place de la Liberté. Van daaruit is het aan de Place Baudez gelegen station van Saint-Quentin makkelijk te bereiken. Ook het oorspronkelijk uit 1850 daterende station van Saint-Quentin werd in 1926 opnieuw gebouwd. Op 23 juli 2026 was het opvallend dat de stationsklok stilstond. Toch wel ongebruikelijk voor een spoorwegmaatschappij. Er is een redelijk druk verkeer met treinen van de TER (Transport Express Régional) van en naar een reeks van bestemmingen.

Het station van Saint-Quentin op 23 juli 2026.
Saint-Quentin heeft tussen 1899 en 1956 trams gehad. In eerste instantie werd het tramnet geëxploiteerd met persluchtaandrijving, maar in 1908 werd overgegaan op elektrische tractie. Ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog moest het net opnieuw worden opgezet met vier lijnen van in totaal 8 km. Na opheffing van een lijn in 1937 volgde opheffing van de overige drie lijnen op 27 mei 1956. Gezien het aantal inwoners van Saint-Quentin lijkt het niet waarschijnlijk dat deze stad opnieuw een tramnet zal krijgen.

Motorrijtuig van lijn 4 van de Compagnie Générale Française des Tramways (CGFT) op 23 maart 1951 op de Grande Place in Saint-Quentin. Foto: Beeldbank NVBS – Fotograaf: J. Voerman.
In 1845 werd in Saint-Quentin de Compagnie des chemins de fer du Nord opgericht die de hoofdspoorwegen in dat deel van Frankrijk exploiteerde. In 1938 ging dit bedrijf op in de SNCF.
Daarnaast exploiteerde onder andere de Compagnie des chemins de fer secondaires du Nord-Est een aantal secundaire spoorlijnen in Noord-Frankrijk. Deze maatschappij was in 1922 gevormd door de fusie van de Compagnie du chemin de fer de Saint-Quentin à Guise en de dochtermaatschappij daarvan, de Compagnie des chemins de fer départementaux de l’Aisne. De Chemin de fer de Saint-Quentin à Guise opende in 1874 het normaalsporige baanvak Saint-Quentin-Longchamp (34 km) en in 1875 het aansluitende baanvak Longchamp-Guise (6 km). In 1914 werden meer dan 600.000 reizigers vervoerd.

De spoorlijn Saint-Quentin – Guise en in rood het nog bestaande gedeelte daarvan. Bewerking van www.openrailwaymap.org.
In 1952 nam de Régie départementale des transports de l’Aisne de exploitatie over. Het reizigersverkeer werd in februari 1966 gestaakt tegelijk met het sluiten van het gedeelte tussen Origny-Sainte-Benoite en Guise. Sindsdien vindt er goederenvervoer plaats naar de fabriek van Thereos in Origny-Sainte-Benoite; dit wordt sinds 31 oktober 1981 verzorgd door de SNCF. De rest van de lijn is opgebroken en delen daarvan worden nu gebruikt als fietspad. Thereos is een producent van suiker en daarvan afgeleide producten met 15.600 medewerkers en een omzet van 5,9 miljard euro in 14 landen.
Museumlijn CFTV
Het overgebleven gedeelte van de lijn wordt ook gebruikt als museumlijn door de Chemin de fer touristique du Vermandois (CFTV). De CFTV exploiteert deze museumlijn sinds 1979. De CFTV heeft zijn depot aan de zuidkant van Saint-Quentin aan de Chemin de la Cavée Saint-Lazare in Gauchy. Maar Gauchy had geen station.
Op 23 juli 2026 was er geen leven te bespeuren. Een foto op de website van de CFTV liet zien dat er ten gevolge van eerdere zeer hoge temperaturen spoorspatting was opgetreden. Je zou verwachten dat bij een museumspoorlijn in juli activiteiten zouden zijn maar nu was dat niet het geval. En een hermetisch gesloten hek rondom het terrein maakte toegang onmogelijk.

Het nog bestaande gedeelte Saint-Quentin – Origny-Sainte-Benoite van de spoorlijn Saint-Quentin – Guise. Tekening: René Hourdry. Wikimedia.

Het ontoegankelijke en rommelige terrein van de CFTV op 23 juli 2026.
Nog aanwezige stations
Veel stations zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog vernield en daarna herbouwd. Het eerste station was Neuville – St. Amand. In 1962 had deze plaats 820 inwoners.

Het station van Neuville – St. Amand rond 1910. Bewerking van briefkaart. Fotograaf onbekend. Wikimedia.
Er is nog steeds een Chemin de la Gare, het viaduct is ook nog aanwezig maar van dit station is geen spoor meer te bekennen.
Het volgende station is Itancourt. In 1962 had deze plaats 540 inwoners, maar sindsdien is het aantal inwoners meer dan verdubbeld.

Het station van Itancourt rond 1910. Bewerking van briefkaart. Fotograaf onbekend. Wikimedia.
Het station van Itancourt heeft de oorloshandelingen gedurende de Eerste Wereldoorlog overleefd. Wel is het houten gebouw verdwenen. Kenmerkend voor de meeste stations langs deze lijn zijn de twee of drie witte stenen boven ramen en deuren en het rozetraam met vier witte stenen.

Het station van Itancourt rond 1930. Bewerking van postkaart. Fotograaf onbekend. Wikimedia.
Het nu particulier bewoonde station bevindt zich aan de Rue de la Gare 18. De aan het oorspronkelijke stationsgebouw gebouwde kamer laat dat duidelijk zien. Aan de andere kant van de spoorlijn op nummer 20 staat een vestiging van het van origine Franse bedrijf STEF. Het in gekoelde logistiek gespecialiseerde bedrijf heeft vestigingen in acht Europese landen (waaronder ook Nederland) en heeft 22.000 medewerkers.

Het thans als woonhuis in gebruik zijn voormalige station van Itancourt vanaf de spoorzijde (boven) en vanaf de straatzijde (onder).
Het gebouwtje rechts op de onderste foto met het rozetraam is vermoedelijk ook een overblijfsel behorend bij het station. Maar er is geen spoor meer naar het complex van STEF.

Nog aanwezige zijsporen bij het station van Itancourt gezien vanaf het station in zuidelijke richting.

Het complex van STEF. Een spooraansluiting lijkt niet meer aanwezig.
Het volgende station is dat van Mézières-sur-Oise. Deze plaats had 450 inwoners in 1962, een aantal dat sindsdien nauwelijks gegroeid is.

Het station van Mézières-sur-Oise in 1910. Bewerking van postkaart. Fotograaf onbekend. Wikimedia.
Dit station is gedurende de Eerste Wereldoorlog geheel vernield en daarna weer opgebouwd. Opmerkelijk is dat het eerste stenen stationsgebouw loodrecht op de spoorlijn stond en het tweede parallel aan de spoorlijn.

Het station van Mézières-sur-Oise in 1920. Bewerking van postkaart. Fotograaf onbekend. Wikimedia.
In Mézières-sur-Oise begon ook de korte spoorlijn in zuidelijke richting naar La Fère. Deze 14 kilometer lange lijn was bedoeld om het spoornetwerk in deze streek te completeren door het verbinden van de spoorlijn van Saint-Quentin naar Guise met de spoorlijn van Tergnier naar Laon. Dat verklaart vermoedelijk ook het relatief substantiële emplacement in 1910. Het eerste gedeelte van 7 km tot Vendeuil werd geopend in 1898 en het tweede gedeelte van 7 km in 1935. De hele lijn werd gesloten in 1963.
Het nu als woonhuis gebruikte voormalige station aan de Rue de Pusieux (een zijstraat van de Rue de La Gare) heeft nauwelijks veranderingen ondergaan. Het kleine gebouwtje naast het station is vermoedelijk het oorspronkelijke toiletgebouwtje. Ook de watertoren en de goederenloods staan er nog steeds.

Het voormalige stationsgebouw van Mézières-sur-Oise.

De watertoren en de goederenloods van het station Mézières-sur-Oise.
Na Mézières-sur-Oise volgt het station van Séry-lès-Mézières. Ook deze plaats had in 1962 het betrekkelijk geringe aantal van 770 inwoners. Het oorspronkelijk houten stationsgebouw werd in 1918 door de Duitsers vernield. Daarna is een stenen gebouw geconstrueerd dat thans vermoedelijk als woonhuis dienstdoet.

Het oorspronkelijke houten stationsgebouw van Séry-lès-Mézières. Bewerking van postkaart. Fotograaf onbekend. Wikimedia.

Het na de Eerste Wereldoorlog gebouwde stenen station van Séry-lès-Mézières rond 1920. Bewerking van postkaart. Fotograaf onbekend. Wikimedia.
De stoomlocomotief op deze foto is vermoedelijk een door Cockerill (België) geleverde 120T-locomotief (1B-tenderlocomotief). Bij deze locomotieven bevonden de waterbakken zich tussen de assen.
Het na de Eerste Wereldoorlog gebouwde station bevindt ver buiten Séry-les-Mézières aan de Rue de la Gare / D34. Hoewel het gebouw gezien de begroeiing en de uiterlijke toestand onbewoond leek bleken er toch bewoners te zijn.

Het voormalige stationsgebouw van Séry-lès-Mézières.
Het kleine gebouwtje rechts op de bovenste foto is vermoedelijk weer een toiletgebouwtje.
Tekst en foto’s (tenzij anders vermeld): Frits van Buren
Saint-Quentin bezoekenDe reis per trein vanaf Utrecht vraagt 6 uur met overstappen in Rotterdam, Antwerpen en Lille Flandres. Per auto vraagt de reis vanaf Utrecht 4 uur via Antwerpen, Brussel, Mons (Bergen) en Cambrai. De streek kent weinig hotel-restaurants om het spoorzoeken te onderbreken. Erg goed en heel rustig gelegen is het Domaine des Lumières in Aisonville-et-Bernoville, een plaatsje met 300 inwoners en een kasteel 5 km ten noordwesten van Guise. Volgende maandIn het volgende gedeelte van dit artikel worden de stations tot en met het huidige einde van de spoorlijn in Origny-Sainte-Benoite en het vroegere eindpunt Guise besproken. |

