Van vlag tot led
Rood, groen, geel: lichtseinen bij NS
Wie weleens over de grens heeft gekeken zal moeten toegeven: het seinstelsel in Nederland ziet er opvallend eenvoudig uit. Wie begrijpt hoe verkeerslichten werken, kan bij wijze van spreken zo aan de slag als machinist.
In de oertijd van de spoorwegen bestond de beveiliging uit mannen die met vlaggen langs de spoorbaan stonden. Later kwamen er seinpalen die vanuit seinhuizen werden bediend, de bekende armseinen. Arm schuin omhoog: trein mag doorrijden, arm horizontaal: stoppen. Ook waren er voorseinen waaraan de machinist kon zien in welke stand het daaropvolgende hoofdsein stond. Arm schuin omhoog: doorrijden bij het hoofdsein, arm schuin omlaag: afremmen en stoppen.

Armseinen in het Spoorwegmuseum. In de seinarmen zitten gekleurde glazen met daarachter een lamp. Rechts een hoofdsein in de stand stop (’s nachts een rood licht), links het bijbehorende voorsein (’s nachts een geel licht). Foto: Nico Spilt.
Armseinen waren in het donker slecht te zien. Daarom werden er ’s nachts gekleurde lichten getoond: rood = stop, groen = doorrijden, geel = afremmen. In de seinarmen zaten gekleurde glazen waarachter ’s nachts een lamp brandde.
Armseinen komen in Nederland alleen nog voor bij museumbedrijven. Soms voor de sier, soms echt werkend. Tegenwoordig staan overal lichtseinen die dag en nacht branden. Hierin worden nog steeds dezelfde kleuren gebruikt als vroeger in armseinen: rood, groen en geel. Een verschil is dat er bijna geen aparte voorseinen meer zijn. De meeste hoofdseinen zijn tegelijk voorsein van het volgende hoofdsein.

Vooroorlogse lichtseinen bij Willemsdorp op 19 juni 1935. Het zijn twee hoofdseinen (rond) en een voorsein (vierkant). Ze waren voorzien van kleurwisselaars en konden twee kleuren tonen: rood en groen resp. geel en groen. Samen vormen ze een vertakkingssein: even verderop gaat het enkelspoor over in dubbelspoor. De lichtseinen stonden hier omdat armseinen vanaf de Moerdijkbrug moeilijk zichtbaar waren. De trein is op weg van Amsterdam naar Parijs en zal zo over de enkelsporige Moerdijkbrug rijden. Foto: H.G. Hesselink, beeldbank SNR.
Voor de oorlog werden hier en daar al daglichtseinen toegepast op plaatsen waar armseinen moeilijk waren te zien, bijvoorbeeld bij bruggen. Na enkele experimenten koos de NS voor seinen van de General Railway Signal Company (GRS) uit de USA. Dat zijn seinen met een enkele lamp die drie verschillende kleuren kunnen tonen.
In zo’n sein zit een bril met drie gekleurde glaasjes die vlak voor de lamp kan bewegen. Dat gebeurt met elektromagneten. Afhankelijk van de stroomrichting beweegt de kleurbril naar links of rechts. Loopt er geen stroom, dan wordt de bril door de zwaartekracht in de middenstand gehouden. Doorgaans zit daarin het rode glaasje, zodat bij een storing het sein in de stand ‘stop’ staat. In dit filmpje zie je de werking van zo’n sein.
Lichtseinstelsel 1946
De Amerikaanse seinen bevielen heel goed en zijn na de oorlog op grote schaal toegepast in het zogeheten lichtseinstelsel 1946. Dit was ontworpen door ir. Verstegen, chef van de Dienst van het Seinwezen. Hij bedacht ook een systeem om met deze seinen snelheidsopdrachten te kunnen geven. Bij stations en splitsingen kwamen seinpalen met boven elkaar drie lichtseinen die elk drie kleuren konden tonen. Behalve rood, groen en geel werd hierbij ook wit licht gebruikt, om aan te duiden dat een bepaald sein op dat moment geen betekenis had.

Demonstratiebaan seinbeelden in het Spoorwegmuseum. In de achtergrond een driehoogtesein van het lichtseinstelsel 1946. Deze seinpaal is later vervangen door een AKI-installatie die gekoppeld was aan een overweg van de modelbaan. Foto: NS, 1967. Utrechts Archief, 78806. Lees meer over deze modelbaan.
Bij dit seinstelsel werden drie snelheden onderscheiden: hoge snelheid (meer dan 90 km/uur), middensnelheid (45-90 km/uur) en lage snelheid (45 km/uur of minder). Zo betekende groen-wit-wit dat het sein met hoge snelheid mocht worden gepasseerd. Wit-groen-wit betekende middensnelheid toegestaan. Zie de illustratie hieronder. Zonodig werd de toegestane snelheid met witte cijfers op het achtergrondscherm geschilderd.

De tien seinbeelden die met driehoogteseinen konden worden getoond. Betekenis sein 1: hoge snelheid, het volgende sein toont ook hoge snelheid. Sein 2: middensnelheid. Sein 3: lage snelheid. Sein 4: hoge snelheid, het volgende sein toont middensnelheid. Sein 5: hoge snelheid, het volgende sein toont lage snelheid. Sein 6: middensnelheid, het volgende sein toont lage snelheid. Sein 7: hoge snelheid, het volgende sein toont halt. Sein 8: middensnelheid, het volgende sein toont halt. Sein 9: lage snelheid, het volgende sein toont halt. Sein 10: halt. Het rode sein kon ook in het midden of bovenin zitten, afhankelijk van waar nog plek was in de kleurbrillen. Bij een rood sein waren de twee andere lampen gedoofd. Bron: seinwezennummer Op de Rails, 1965-SW.
Het systeem met drie seinen boven elkaar had ir. Verstegen afgekeken van Amerikaanse spoorwegmaatschappijen. Daar komen dit soort seinen nog steeds voor. Alleen gebruikt men daar geen witte lichten, alleen rood, geel en groen. Groen-rood-rood betekent hoge snelheid toegestaan, rood-rood-groen betekent langzaam, rood-rood-rood betekent stop. Rood kan in dit stelsel dus ook ‘niets’ betekenen. Dit vond ir. Verstegen principieel onjuist, vandaar dat hij hiervoor witte lichten gebruikte, maar zelf maakte hij de fout door groen in verschillende betekenissen te gebruiken.
In Italië heeft men nog steeds driehoogteseinen met kleurwisselaars. Het ziet er ingewikkeld uit, met gele en groene lampen die al dan niet knipperen.

Het baanvak Utrecht Maliebaan – Blauwkapel bij de overweg in de C. Houtmanstraat in Utrecht,15 juni 1961. Links de wachtpost, de wachterswoning en woning 44A. Rechts het voorsein van de splitsing Blauwkapel Zuid. Voorseinen hadden en hebben altijd minstens één rechte hoek. Foto: Roef Ankersmit, beeldbank SNR.
Bij de NS bevielen de driehoogteseinen in de praktijk niet. Er zijn verschillende incidenten geweest waarbij machinisten zich vergisten in het seinbeeld. Vooral groen en wit werden weleens verward. Deze seinen zijn dan ook geleidelijk verdwenen, het laatste in 1980. Een ‘gevaarlijk’ seinbeeld als groen-wit-groen (afremmen tot lage snelheid) werd voordien in veel gevallen al vervangen door geel-wit-wit (afremmen en rekenen op stop).

Loc 1612 nadert Wolfheze met een containertrein, 8 september 2006. De trein passeert hier een van de laatste lichtseinen met kleurwisselaar. Voor het sein staat een cijferbak. Oorspronkelijk stond hier een driehoogtesein. Foto: Nico Spilt.
Lichtseinstelsel 1955
In 1955 werd bij NS een nieuw lichtseinstelsel ingevoerd. De seinen bestaan hierbij uit (meestal) drie afzonderlijke lampen met de kleuren rood, geel en groen. Snelheidsopdrachten kunnen worden gegeven met cijferbakken onder of naast het sein. Het cijfer 8 betekent bijvoorbeeld 80 km/uur.
De al bestaande lichtseinen met kleurwisselaar bleven gehandhaafd, maar zijn geleidelijk vervangen. De laatste stonden tussen Ede-Wageningen en Wolfheze. In 2006 waren ze allemaal verdwenen. In 2005 was ook al het laatste armsein van NS verdwenen. Dat stond bij het inmiddels opgebroken goederenemplacement van Utrecht.

Rotterdam Alexander, 30 juni 2004. Sprinter 2859 is op weg naar Rotterdam. Langs beide sporen staan seinen van het lichtseinstelsel 1955, gecombineerd met een cijferbak. Bij deze seinen zit het rode licht onderaan. Tot 1967 werd het groene licht in het midden geplaatst en zat het gele licht dus boven. Bij seinen die daarna zijn geplaatst zit groen bovenin en geel in het midden. Foto: Nico Spilt.
De kleur wit wordt nog steeds gebruikt bij of in seinen. Er zijn seinen waarbij een witte lamp kan branden; het sein zelf is dan gedoofd. Dit betekent dat het sein op dit moment geen betekenis heeft. Witte lampen komen ook voor in richtingaanwijzers. Hiermee wordt aangegeven in welke richting de trein wordt geleid. Deze zogeheten ‘koeiekoppen’ komen niet vaak voor en zijn geleidelijk aan het verdwijnen.

Breukelen, 1 augustus 1973. Links loc 1315 op weg naar Amsterdam. Rechts een driehoogtesein. Het rode sein zit in het midden, omdat hier nog ruimte was voor een rood glaasje. Het witte cijfer 7 betekent dat de ‘middensnelheid’ hier 70 km/uur was. Voor het sein staat een richtingaanwijzer, een zogeheten ‘koeiekop’. Met twee witte lampen kon hierin worden aangegeven welke kant de trein op zou gaan: links naar Utrecht of rechts naar Woerden. Omdat het sein rood is, is de richtingaanwijzer gedoofd. Foto: Nico Spilt.
Bijzondere seinbeelden
Een bijzondere variant waren de seinen die ‘dubbel geel’ konden tonen. Die hadden vier lampen, waarbij de bovenste en onderste geel waren. Het seinbeeld dubbel geel betekende: afremmen tot halve dienstregelingsnelheid, het volgende sein is geel. Deze seinen stonden op plaatsen waar de afstand tussen de seinen zo kort is dat een snelle trein niet op tijd zou kunnen stoppen. Met de invoering van ATB is dit seinbeeld vervallen, omdat de ATB niet weet wat de dienstregelingsnelheid van een trein is. De toegestane snelheid wordt nu aangegeven met een cijferbak en wordt gecontroleerd door de ATB.

Loc 1135 vertrekt uit Amersfoort, 31 maart 1973. Boven de sporen hangen lichtseinen met vier lamphouders: die konden het seinbeeld ‘dubbel geel’ tonen. Bovenin en onderin brandde dan een geel licht. Onder de seinen zit een cijferbak waarin met witte lampjes een snelheidsaanduiding kan worden getoond. Foto: Nico Spilt.
Extra informatie kan worden gegeven door seinen te laten knipperen. Zo betekent groen-knipper dat het sein met 40 km/uur mag worden gepasseerd. Behalve als er ook een lichtbak is waarin een 8 brandt: dan mag het sein met 80 km/uur worden gepasseerd. Een geel sein dat knippert betekent ‘rijden op zicht’. Dit sein wordt gebruikt als een trein binnenkomt op een spoor waar al een andere trein staat.
Dwergseinen
Er bestaan ook dwergseinen; de officiële naam is laaggeplaatste seinen. In het stelsel 1946 waren dat seinen met één lamp en een kleurwisselaar. De huidige dwergseinen hebben drie lampen en zijn driehoekig. Een groen dwergsein mag met maximaal 40 km/uur worden gepasseerd.
![]() |
![]() |
Links een dwergsein van het stelsel 1946 in het Spoorwegmuseum. Het interne mechanisme is verdwenen, in het sein brandt nu een rode ledlamp. Rechts een dwergsein van het stelsel 1955 op de Watergraafsmeer, 17 april 2004. Het sein toont ‘geel-knipper’: het spoor is bezet door treinstel 273. Foto’s: Nico Spilt.
Glasvezel en led
Het lichtseinstelsel 1955 bestaat, met wat aanpassingen, nog steeds. Oorspronkelijk werden hierin gloeilampen gebruikt. Rond 1995 werd een nieuwe techniek ingevoerd: glasvezel. Aan of bij de seinpaal zit een kast met daarin felle halogeenlampen. Het licht daarvan wordt met een bundel glasvezels naar het sein geleid.

Glasvezelseinen bij Utrecht, op 28 augustus 2004 gefotografeerd vanuit treinstel 273. De halogeenlampen zitten in kasten aan de paal, dikke kabels lopen naar de seinen. De seinen hebben geen zonnekappen. Die zouden die niet nodig zijn, maar zijn later toch weer teruggekeerd. Foto: Nico Spilt.
Glasvezelseinen werden rond 2005 alweer ingehaald door led-seinen. Die hebben het voordeel dat ze lang meegaan en weinig stroom gebruiken. Een led (light emitting diode) is een klein lampje, dus je moet er een heel stel bij elkaar zetten om tot een goed zichtbaar seinlicht te komen.

Proefopstellingen met lichtseinen bij fabrikant Vialis in Broek op Langedijk, 25 februari 2005. In die tijd begon de opmars van de led. Links een sein met ledverlichting. Dit sein is bestemd voor trajecten met ETCS. Als dit systeem operationeel is brandt er een rij witte lampjes en is het sein zelf gedoofd. Rechts een klassiek sein met gloeilampen. Foto’s: Nico Spilt.
Lichtseinen nieuwe generatie
Een led kan maar één kleur uitstralen, maar er bestaan ook uitvoeringen waarin drie kleuren zijn opgenomen: rood, blauw en groen. Door deze kleuren te mengen zijn vrijwel alle kleuren te maken. Dat wordt gedaan in de ‘lichtseinen nieuwe generatie’ (NG) die een paar jaar geleden door ProRail zijn besteld bij de firma Pintsch. Die bestaan uit één lichtbron die verschillende kleuren kan tonen, net zoals de seinen uit 1946.
Toen er eenmaal nieuwe seinen hingen (bij Meteren, bij de aansluiting op de Betuweroute) kwamen er al direct klachten van machinisten. De seinen waren vaak slecht te zien. Ook waren er andere problemen, zoals kromtrekkende palen en lekkages. ProRail, dat duizenden seinen had besteld en er ook al tientallen had geplaatst (maar nog niet allemaal aangesloten), wilde van het contract met Pintsch af. In juli 2026 kwam het na een lange juridische strijd tot een schikking. ProRail gaat nu weer net als vroeger seinen kopen bij Vialis, het bedrijf dat is voortgekomen uit de Nederlandse Machinefabriek Alkmaar.
Het sein van de toekomst
Het sein van de toekomst vinden we niet langs de spoorlijn, maar in de cabine van de machinist. Bij het European Train Control System (ETCS) wordt niet meer gewerkt met vaste seinen langs de baan, maar met signaleringen in de cabine, waarbij het systeem automatisch berekent wat de veilige afstand tussen twee treinen is. Hierdoor kan de capaciteit van het baanvak veel beter worden benut.
In de inleiding vergeleek ik de seinbeelden bij de spoorwegen met verkeerslichten. Het voornaamste verschil is het gele licht. Voor veel automobilisten betekent geel: nog even gas geven. Bij treinen is de onverbiddelijke opdracht: afremmen.
Nico Spilt
Meer lezenOver de beveiliging bij NS is veel geschreven in Op de Rails. Ook zijn er speciale seinwezennummers verschenen: 1965-SW, 1969-SW en 1980-SW. In 1991 zijn deze nummers, met een aantal artikelen, gebundeld in De beveiligingen bij de Nederlandse spoorwegen. NVBS-bibliotheek: Sb-106.001. 150 jaar seinen voor treinen. Door H.G. Hesselink. Uitg. Wyt, Rotterdam, 1978. ISBN 9060075676. Met ruim 200 foto’s en tekeningen uit de enorme collectie van H.G. Hesselink op het gebied van het seinwezen. Deel 6 van de serie Spoorwegen in Nederland. NVBS-bibliotheek: Sb-100.013.a.
|
Welk jaar?Lichtseinstelsel 1946 en lichtseinstelsel 1955 zijn de officiële aanduidingen. Ze worden ook wel aangeduid als 1949 (toen de eerste seinen langs de baan verschenen) resp. 1954 (toen dit stelsel werd ontworpen). KleurwisselingTot juli 1934 werden in de lichten van armseinen andere kleuren gebruikt: groen voor langzaam, wit voor veilig. Dit kon gevaar opleveren, want een rood sein waarvan het glas was gesneuveld gaf dus wit licht. Tijdens een grote operatie werden in korte tijd de glazen in alle seinen aangepast: groen werd geel, wit werd groen, rood bleef rood. Ook andere objecten waarmee seinen werden gegeven, zoals vlaggen en borden, werden aangepast. Het seinreglement met de nieuwe kleuren werd op 16 juli 1934 van kracht.
Gele seinen (en verkeerslichten) kunnen oranje lijken en worden ook wel zo genoemd, maar de officiële aanduiding is geel. KleurenblindHet is makkelijk te onthouden: rood is stoppen, groen is doorgaan. Maar er zijn mensen die moeite hebben met deze afspraak: zij kunnen bepaalde kleuren niet of slecht onderscheiden. Lees waarom machinisten niet kleurenblind mogen zijn. Dubbele dwergseinenNa de Tweede Wereldoorlog kon met Amerikaanse steun de beveiliging van de spoorwegen worden hersteld en gemoderniseerd. Op grote schaal verschenen er automatische lichtseinen langs het spoor. Ook aan de stationsbeveiliging werd gewerkt. In 1950 was ‘s-Hertogenbosch het eerste station dat een NX-beveiliging kreeg. De afkorting NX is afgeleid van de woorden eNtrance (ingang) en eXit (uitgang). Het indrukken van twee knoppen is voldoende om een complete rijweg in te stellen. Op het emplacement stonden ook dwergseinen met kleurwisselaars. Enkele daarvan hadden twee lichten boven elkaar, zodat er verschillende kleurcombinaties konden worden getoond. Deze seinen bevielen niet, zodat er al snel andere kwamen.
MadurodamOok in Madurodam stonden ooit lichtseinen van het stelsel 1946, al zullen er geen echte kleurwisselaars in hebben gezeten. Foto: J.A. Bonthuis, 28 november 1952, beeldbank SNR. Lees meer over het spoorbedrijf van Madurodam. |








