Een museum voortgekomen uit de Franse steenkoolmijnindustrie
Het CMCF in Oignies
Frits van Buren bracht op 12 april 2026 een bezoek aan het Centre de la Mine et du Chemin de Fer in Oignies in Noord-Frankrijk. Een bijzonder museum dat de geschiedenis van een steenkoolmijn combineert met een grote en brede collectie spoorwegmaterieel.
Locatie en geschiedenis
Oignies is een plaats ten noordoosten van Lens en Lens ligt ten zuiden van Lille (Rijssel). Oignies ligt in het mijngebied dat zich uitstrekte van Valenciennes in het noorden tot Pas-de-Calais in het westen. In dit gebied werd in 1734 voor het eerst steenkool gevonden in het bij Valenciennes gelegen Anzin. Ondanks veel inspanningen werd pas in 1842 steenkool gevonden in Oignies.

Het besproken gebied in Noord-Frankrijk. Bewerking van OpenStreetMap.
Vanaf dat moment werd een groot aantal mijnschachten geopend, waaronder ook mijnschacht 2 in Oignies. Het graven van deze schacht begon in 1860. Een mijngasexplosie in 1868 verhinderde niet een verdere exploitatie. In 1905 werd een diepte van 482 meter bereikt. Rond de schacht werden de nodige gebouwen neergezet, zoals fabrieken voor het bewerken van de steenkool en werkplaatsen. Ook werden uitgebreide eigen railvoorzieningen aangelegd.
Vanaf 1914 werden de schachten geëxploiteerd door de Duitsers, maar in november 1918 werden door hen, voordat ze zich terugtrokken, op grote schaal vernielingen aangericht. De reconstructie geschiedde zeer voortvarend en vanwege het gebrek aan arbeiders kwamen er grote aantallen Poolse mijnwerkers.
In mei 1940 ging het binnentrekken van Oignies door de Duitsers gepaard met burgerslachtoffers en vernielingen. Na de Tweede Wereldoorlog waren de mijnbedrijven uitgeput en was alleen de overheid in staat de nodige investeringen voor de modernisering te doen. Dit leidde tot de oprichting van les Houillères du Bassin du Nord et du Pas-de-Calais (HBNPC) onder de paraplu van de Charbonnages de France die het geheel van de zeven mijnbouwgebieden in Frankrijk omvatte.
In 1946 zorgde de HBNPC met 200.000 werknemers en 114 mijnschachten voor 60% van de Franse steenkoolproductie. In 1966 waren daar 41 schachten van overgebleven. Weer waren werknemers schaars en kwamen veel werknemers vooral uit Marokko. In 1950 werd met mijnschacht 2 in Oignies 4500 ton per dag bovengehaald waar 3000 steenkool van overbleef. De kolenwinning eindigde in november 1976. Op dat moment had de mijn sinds 1863 21 miljoen ton steenkool voortgebracht.
In de jaren tot 1980 is de mijnschacht volgestort en zijn de installaties gesloopt met uitzondering van de machinehal, waar thans het Centre de la Mine et du Chemin de Fer (CMCF) gevestigd is.
In de jaren 1920 waren veel elektriciteitscentrales gebouwd, maar de mijnschacht 2 in Oignies was daar niet van voorzien. Voor de liften in de mijnschacht werd in 1949 een installatie gebouwd die bestond uit een stoommachine van 3800 pk. De machine woog 500 ton en had een kolenverbruik van 30 ton per dag. Deze stoommachine dreef de as en de trommels aan van de kabels van het transportsysteem in de mijnschacht. De as heeft een diameter van 95 cm en een gewicht van 54 ton, terwijl de trommel een diameter van 7 meter heeft.
Het Centre de la Mine et du Chemin de Fer (CMCF)

Plattegrond van het Centre de la Mine et du Chemin de Fer (CMCF).
In september 1986 kocht de gemeente Oignies het terrein om met name de schachtinstallaties te redden. Ook kreeg het centrum een nieuwe naam: Centre Denis Papin. Denis Papin (1647-1712) was een Frans natuurkundige, die het bekendst is vanwege zijn pionierswerk met stoomkracht. Hij is een van de grondleggers van de thermodynamica. In 1690 vond hij de eerste zuigerstoommachine uit.
In 1993 stichtten voormalige mijnwerkers de vereniging “Le Amis de la Mine” die tot doel had om ondergronds spoorwegmateriaal en uitrusting voor de kolenwinning te redden. Ook is op het terrein de ʺAssociation de Conservation des Ambulants Posteaux” (postrijtuigen) gevestigd.
Wat betreft het spoorweggedeelte omvat het CMCF drie gedeelten:
- Kleine schalen (1 op 22,5 tot 1 op 450) met twaalf modelbanen.
- Stoom-, elektrische en motorlocomotieven met schalen van 1 op 11 tot 1 op 3,25. Deze rijden op een parkspoorbaan van 700 meter met spoorwijdten van 127 mm en 184 mm.
- De restauratiewerkplaats. Hier wordt door vrijwilligers gewerkt aan de restauratie van stoomlocomotief 3.1280; zie verderop. Twee andere locomotieven – de BB 12125 en de CC 40101 – zijn inmiddels gerestaureerd en staan nu tentoongesteld in het Franse spoorwegmuseum la Cité du Train in Mulhouse.
Festival du Printemps
Op zaterdag 11 en zondag 12 april 2026 hield het Centre de la Mine et du Chemin de Fer het ʺFestival du Printempsʺ.

De toegang geschiedt geheel in stijl: via een voormalig postrijtuig dat dient als toegang/receptie.
Na binnenkomst vallen twee dingen op: het voormalige machinegebouw – nu Centre Papin geheten – en de parkspoorbaan.

Het Centre Denis Papin.

De Parkspoorbaan met verschillende tractievormen (boven) en de kruising met elektrische wissels en het seinhuis (onder).
Het Centre Papin
Het Centre Papin herbergt op de begane grond een groot aantal aan (miniatuur)spoorwegen gerelateerde objecten. Zo staan er bij voorbeeld een motor van een Picasso autorail (motorrijtuig) en de stuurtafel van elektrisch materieel. Ook staat er een groot model van een 141R-stoomlocomotief, waarvan er na de Tweede Wereldoorlog 1323 door Amerikaanse fabrieken aan de SNCF geleverd zijn.

De dieselmotor van een Picasso autorail (links) en de stuurtafel van elektrisch materieel (rechts).

Model van een 141R-locomotief.

De eerste verdieping is onder andere de plaats van een modelbaan van 90 m2 met 210 meter spoor en 70 wissels waar 10 treinen tegelijk op kunnen rijden.
De eerste verdieping is ook het terrein van het kroonjuweel van het Centre Denis Papin: de stoommachine en de trommel waarmee de hijskabels werden op- en afgewonden.

Overzicht van de hijsinstallatie. De stoommachine wordt gevormd door de blauw afgewerkte zuigers. Op de achtergrond de trommel voor de kabels.
De stoommachine is gebouwd door de in 1826 opgerichte Société Alsacienne de Constructions Mécaniques (SACM). In 1928 fuseerde SACM met Compagnie Française Thomson-Houston (CFTH) tot Alsthom. Het is dan ook bijzonder dat de in de tweede helft van de jaren 40 geïnstalleerde machine nog de naam van de SACM draagt.

Een van de twee zuigers (links) en de trommel van de hijsinstallatie vanaf de begane grond (rechts).

Op de tweede verdieping bevindt zich een modelspoorbaan met een grotere spoorwijdte.
Op de bovenste verdieping was een beurs met railliteratuur en modelspoormaterieel georganiseerd. Opvallend was de grote verscheidenheid van Franse modellen van locomotieven en ander spoormaterieel.
Het buitenterrein
Het buitenterrein toont een grote verscheidenheid aan spoorwegmaterieel.
Al sinds 1993 werken vrijwilligers aan de restauratie van de uit 1930-1931 daterende viercilinder compound-stoomlocomotief 3.1280 van Compagnie des chemins de fer du Nord (later SNCF 231 C 78).

De stoomlocomotief 3.1280 van de Compagnie des chemins de fer du Nord.
Rond 2020 werd de stoomketel van het frame genomen en rond 2024 is de locomotief weer in de oorspronkelijke chocoladebruine kleur met gele biezen gebracht. Het resterende werk betreft de tender. Het is de bedoeling dat de locomotief te zijner tijd een plaats krijgt in Cité du train in Mulhouse.

De tender is duidelijk het nog resterende gedeelte van de restauratie van de 3.1280.

De kwaliteit van de restauraties is duidelijk te zien aan de door het CMCF gerestaureerde en thans in de Cité du Train Mulhouse tentoongestelde CC 40101 (foto van 25 juni 2025).
De 3.1280 werd gezelschap gehouden door een Berliet RLCB locotracteur uit 1923 en de in 1952-1953 door Baudet, Donnon et Roussel gebouwde SNCF Y 2121 rangeerlocomotief uit de serie Y2101-2152.

De Berliet locotracteur (links) en de Y2121 rangeerlocomotief (rechts).

Ter “versiering” is een kop van de BB 16517 bij de locomotiefloods aangebracht.
De 294 van monomoteur-draaistellen voorziene locomotieven van de serie BB 16000 werden tussen 1956 en 1961 door Alsthom gebouwd. Vanwege hun zeer matige rijeigenschappen hadden zij de bijnaam “danseuses” (danseressen).

Locomotief 516506 van deze serie staat nog ongerestaureerd op het terrein.

Ook de in 1958 gebouwde BB 13044 (bijnaam: fer à repasser = strijkijzer) staat te wachten op cosmetische restauratie.

De meest bewerkelijke restauratie lijkt die van de ernstig geroeste CC 65506 (vroeger 060-DA-06) te worden. Deze locomotief maakt deel uit van een tussen 1955 en 1959 gebouwde serie van 35 locomotieven voor het vervoer van goederentreinen over niet-geëlektrificeerde delen van de ringlijn (Ceinture) van Parijs.
Het CMCF is ook in het bezit van de CC 40109 uit de vervolgserie CC 40105-40110. Deze locomotief, afkomstig van de firma Rail et Traction in Raeren, verkeert uitwendig in een slechte toestand. Het zal veel werk vragen om deze weer in de originele staat te brengen. Daarnaast bezit het CMCF de in goede staat verkerende BB 16113. Beide locomotieven waren helaas niet tentoongesteld. Op het terrein staat wel een aantal andere locomotieven in gerestaureerde staat.

Diesellocomotief A1A A1A 62094 (rechts) en Brisonneau & Lotz-locomotief nr. 45 (links).
Van diesellocomotief A1A A1A 62094 (oude nummers 040 DA-1 tot 100) werd regelmatig de motor gestart en dat trok veel belangstelling. Honderd van deze 110 ton zware locomotieven werden naar Amerikaans voorbeeld in 1946-1947 door Baldwin in Amerika gebouwd. Alleen maakte de lagere Europese toegestane aslast de toevoeging van draagassen noodzakelijk. De er naast staande Brisonneau & Lotz-locomotief nr. 45 uit 1962 kwam na diverse omzwervingen binnen de HBNPC na sluiting in 2002 van de cokesfabriek in Drocourt in het bezit van het CMCF.

Een groot aantal postrijtuigen van de ʺAssociation de Conservation des Ambulants Posteaux” staat opgesteld in de buitenlucht.

Ook de vroegere mijnwerkersschool en in het bijzonder het daar opgestelde mijnspoorwegmaterieel is de moeite waard.

Een ritje met een mijnwerkerstrein is ook mogelijk.

Rolbrug afkomstig uit Toulouse.
Een bijzonder onderdeel van de collectie is de “pont transbordeur” (rolbrug) van het depot van Toulouse. Deze 25 meter lange en 40 ton zware rolbrug arriveerde op 7 maart 2025 bij het CMCF. Klik hier voor een beschrijving van deze rolbrug en de overbrenging naar Oignies.
Tekst en foto’s (12 april 2026 tenzij anders vermeld): Frits van Buren.
BereikbaarheidHet CMCF is gelegen Rue Émile Zola in Oignies (Pas de Calais). De ingang bevindt zich tegenover Rue Émile Zola 64. Er zijn goede parkeerfaciliteiten op het terrein of in de onmiddellijke nabijheid. Pas op: er is ook een Oignies-en-Thierache. Oignies heeft geen station; het dichtstbijzijnde station is Libercourt. Van het station Lille Flandres is twee keer per uur een rechtstreekse verbinding (ongeveer 20 minuten) naar het station Libercourt. Vandaar is het 15 minuten lopen naar het CMCF. In Oignies zelf is geen hotel, maar wel in de onmiddellijke nabijheid (ongeveer 5 km) van Oignies.
Het CMCF is slechts beperkt geopend:
Website: www.cmcf-oignies.com (Frans en Engels) Meer lezen
Dit boek uit 2025 geeft veel achtergronden over de mijnen in de buurt van Oignies en over het CMCF: Mines et chemins de fer: Oignies door Jean-Marie Minot en Didier Vivien. Te koop in de NVBS-winkel (29 euro). |



